Gevolgen van de Brexit voor procedures bij BOIP: een update

Nu het scenario van een “no-deal” Brexit waarschijnlijker lijkt te worden, wordt het tijd om, naast onze eerdere mededelingen, wat nader in te gaan op de (potentiële) gevolgen hiervan voor procedures bij BOIP. 

De enige voorwaarde om te kunnen optreden bij BOIP is dat degene die de handeling verricht een “woonplaats of zetel” moet hebben binnen de Europese Economische Ruimte (EER). Dit is geregeld in regel 3.6 UR:

  1. Alle handelingen bij het Bureau of een nationale dienst kunnen worden verricht door tussenkomst van een vertegenwoordiger die als gemachtigde optreedt.
  2. Een gemachtigde dient een woonplaats of zetel te hebben binnen de Europese Economische Ruimte.
  3. Alle mededelingen ten aanzien van deze handelingen worden aan de gemachtigde gericht.
  4. Eenieder die binnen de Europese Economische Ruimte geen zetel of woonplaats heeft noch een gemachtigde heeft aangewezen, moet aldaar een correspondentieadres aangeven.

Wanneer het Verenigd Koninkrijk (UK) dus op 31 oktober 2019 uit de EER stapt, heeft dit tot gevolg dat UK-partijen (merk- of modelhouders of hun gemachtigden die het UK als woonplaats of zetel hebben), na die datum geen handelingen meer bij BOIP kunnen verrichten.

Het verrichten van handelingen als bedoeld in regel 3.6 UR impliceert een activiteit. Het is dus niet vereist dat na 31 oktober 2019 voor alle lopende dossiers waarbij het aanspreekpunt voor BOIP een UK-partij is, de registergegevens worden gewijzigd en een nieuwe gemachtigde of correspondentieadres wordt aangetekend. Pas op het moment waarop daadwerkelijk een handeling wordt verricht, geldt daarvoor het vereiste van een woonplaats of zetel binnen de EER. Indien dat moment na 31 oktober 2019 is, zal BOIP vaststellen dat niet aan dit vereiste is voldaan en degene die de handeling heeft verricht in voorkomend geval een termijn stellen om dit vormgebrek op te heffen. Bij gebreke daarvan wordt de desbetreffende handeling geacht niet te zijn verricht.

Deel deze pagina